Tekst geschreven op 5 april 1887,
door de onderwijzer L'Espagnolles.
De ethymologie
Niemand kent de ethymologie van het woord Grust maar in het Patois(het dialect uit de streek) grèts en grun willen zeggen gebarsten rots, met gaten.; ust, arassus, cardessus, catsus, abatsus willen zeggen boven, langs de kant van de bergen. Welnu het dorp is gebouwd op een schist hoogte waarvan de rots elk jaar meer en meer scheurt en daardoor kloven vormt die grèts genoemd worden. Vroeger, niemand kan precies zeggen wanneer, was het dorp lager gebouwd langs een ravijn, gezegd de Bignalet, die zich vormde op de flanken van de pic van Hitte en waar een levendig riviertje voorbij stroomt. Toen de flanken daarvan ontbost werden, heeft een lawine het dorp doen verdwijnen. Het dorp werd dus hogerop opnieuw opgebouwd, op de rots, veilig voor alle gevaar. Grust wil dus zeggen "boven op een gespleten rots".
De oorsprong van het dorp
Men veronderstelt dat de gemeente heel oud is. Als men verzekert dat Cauterets bestond in de tijd van de romeinen, dan was de vallei van Barèges ook bewoond in die zelfde tijd.
Ik hoorde van een oudere van de vallei dat het land bewoond werd door reuzen die tot drie meter en 10 maten, die men ontdekt had ongeveer 15 jaar geleden, onder meer graven van 14 empans (dwz 3m10). Die reuzen noemden zich Roussous. De geschiedenis vertelt over een gevecht van Roland, de neef van Karel de Grote, tegen drie reuzen uit de omgeving van St. Savin, die zich Passamentos noemden.
De bevolking
De gemeent Grust telde 189 inwoners in 1861 en 152 in 1886. De bevolking vermindert elk jaar.
Deze daling is te wijten aan het feit dat er steeds minder huwelijken plaatsvinden (1 elke 2 a 3 jaar) en door de steriliteit van
de koppels.
We noteren de aanwezigheid in het dorp van een rijkswachter en een leraar die het sekretariaat van de het gemeentehuis doet.
secrétariat de la mairie, evenals een kapelaan. De belastingontvanger en het post- en telegraafkantoor bevinden zich in
Luz.
Het bos
De flanken van de bergen die Grust domineren waren vroeger bebost, maar de herders hebben deze afgebrand. Velen betreuren dit maar willen er ook niet van horen om ze terug te bebossen, omwille van de hinder voor de kuddes.
De bossen zijn weinig uitgestrekt. Er is juist voldoende voor de bevoorrading van de inwoners, elke particulier haalt er maar 15 a 20 ezelvrachten uit.
Alle bossen zijn onderworpen aan het woud regime en staan onder toezicht van een wachter die in Viscos woont.
Elke huishouden bezit een ezel die het hout kan verslepen, die zorgt voor mest en die men gebruikt om naar de markt van Argelès en Luz te gaan.
De kuddes
De koeien zijn klein, mager en bijna altijd zwart, de korte hoorns in een verkeerde richting, maar heel goede melkkoeien.
De ooien en de schapen hebben een fijne schapevacht en zijn klein. De eigenaars houden de lammetjes en elk jaar, op de jaarmarkt van Luz van 30 september, verkopen ze de oudere schapen en de ooien die ze niet zullen kunnen voeden gedurende de winter. Deze jaarmarkt wordt talrijk bezocht door buitenlandse handelaars omdat de beesten op dat moment goed vetgemest zijn en het vlees ervan is heel smaakvol. Dit is te danken aan het gras dat de kuddes in de zomer verorberen in het hooggebergte.
Het wegennet
De gemeente bezit geen enkele straat, maar wel een wegel waar aleen voetgangers en kuddes passeren, deze weg gaat naar Sazos. Van daaraf wordt de wegel breder tot aan Saint Sauveur.
Onder het dorp bevindt zich een kleine gemetselde brug. Dat is de tijd dat men een brede weg aanlegt om van Saint Sauveur naar Cauterets te gaan langs de col de Riou. Daar de gemeentes van Sazos en Grust hieraan niet wilden deelnemen, maakte de weg een grote boog rond deze twee dorpen. Deze weg werd vooral gebruikt door toeristen.
De handel
De gemeente heeft geen enkele lokale handel. Alles gebeurt via Luz of Argelès. De inwoners kopen alles op krediet en betalen meestal op het einde van het jaar, op St Michielsdag, de belastingen, de rentes en de landpacht.
De boter, die heel lekker is, is het dagelijkse voedingsmiddel van het land. De handelaars komen deze kopen bij de families. Het is met dit geld dat de families hun dagelijkse aankopen doen : tarwe, rogge, maïs, enz.
De maten
De enige oude maten die nog in gebruik zijn, zijn de boisseau, de canne, de romaine en de lire van 400 gram. De stoffen en het metselwerk worden gemeten met de canne en de empan. De boter en de wol met de oude lire.
De taal
Het patois is de streektaal. Ze is niet vlot en poëtisch zoals het béarnais, maar minder ruw dat de taal van Azun, wat zou bewijzen dat de Baregenaars niet van Lavedan kwamen maar wel van Aure en Campan. Ze hebben enkele eigen woorden zoals "garnatchou" dat wil zeggen de rok, toy of toyâ om een jongen of een meisje aan te duiden. Anders is het patois overal hetzelfde, rijk aan uitdrukkingen, gekleurd, veelzeggend.
De inwoners
Ze hebben eerlijke en vriendelijke gewoonten; Over het algemeen zijn ze bedeeld met zekere en vaste goedwilligheid. De bevolking is weinig vermengd met buitenlands bloed en is prachtig.
De kerk
Iedereen is katholiek en wordt erg aangetrokken tot deze culte. Op zon- en feestdagen mist er niemand de heilige diensten. De kerk is even arm als het land. Ze is oud en triestig : een voorportaal, dat bijna even groot is als de binnenkant van de kerk, bevindt zich aan de ingang en op de poort is er een St Andrieskruis gegraveerd met de letters A.P.S. Dat is het monogram van Christus en dat zou willen zeggen (eerste en laatste letter van het Griekse alfabet) : begin en einde van alle dingen.
De kleding
De inwoners zijn gekleed met van wol gesponnen stoffen. Het zijn de vrouwen die zich met het spinnen bezighielden tijdens de lange wintermaanden. De broek en de vest zijn gemaakt van een zwarte of natuurkleurige stof maar het gilet is altijd van een opvallende kleur met rode, blauwe of zwarte lijnen. De kraag van het gilet en die van de vest zijn nooit omgeslagen, maar altijd recht. Het hemd is hier onbekend. De vrouwen, evenals de mannen, kleden zich met de wol van hun kuddes. Ze houden van schitterende kleuren, ook hun kleren zijn rood, groen of blauw gestreept. Hun capulets zijn altijd rood met een brede zwarte band erop geborduurd.
Als het regent of sneeuwt, draagt iedereen een lange zwarte wollen cape, die het lichaam bijna volledig bedekt.
De voeding
De dagelijkse voeding is een soort melksoep met brood of deeg, of ook wel een deeg met boter of gesmolten vet. De maaltijd bestaat maar uit 1 enkele gang.
Het onderwijs
Men veronderstelt dat het de pastoors zijn die de kinderen van het dorp Grust onderwezen. Volgens de benodigdheid, werd de pastorie of de kerk, omgebouwd tot school. Er werd een register geopend op het gemeentehuis, voor de inschrijving en de vraag van leraars die zich presenteerden om les te geven, maar het werd algauw weer gesloten zonder enige inschrijving.
Ongeveer in 1820 opent de zus van de pastoor van Sazos, die geleerd is, een school in dit dorp en ontving zo de kinderen van Grust mits een kleine vergoeding.
Het is in 1852, dat de eerste leraar van Grust benoemd wordt. Het ging over de kapelaan LABBE Antrechosses. Hij vervult deze dubbele job gedurende 9 jaar. In 1861 werd er dan een leken leraar benoemd, Mr Cantet en op 16 oktober 1866 ging hij op rust en werd vervangen door Mr Soubervielle, vervolgens door Mr Labasse tot in 1872. Vervolgens werd de abt Cantou tot kapelaan benoemd en ook als leraar tot in 1876. Daarop nam een leek de school over. Het is de pastorie, gebouwd in 1852, die daarna als school gebruikt werd.
15 tot 20 kinderen gaan tijdens de winter naar school en de leraar woont boven het klaslokaal.
Van 1 december tot eind maart hoeden de sterke kinderen de kuddes en gaan dus niet naar school. Het zijn dan de kinderen van 6 tot 8 jaar die naar school gaan en dan nog.
Vanaf 1 juli tot na de vakantie is de school verlaten. Dat houdt in dat iedereen verhuisde naar de bergschuren, gelegen op 1 of 2 uur van het dorp, om niet eerder naar beneden te komen dan tegen de eerste koude, eind september. De kinderen blijven nog steeds de kuddes hoeden tot de sneeuw begint en dan worden de kuddes binnen gehouden. Dan loopt de school weer vol gedurende 4 maanden.
Ondanks alles, kunnen alle personen onder de 30 jaar, lezen en schrijven.
De gemeente bezit een schoolbibliotheek die dateert uit 1886 met 10 boeken voor een krediet van 15frank, door de gemeente betaald. Het aantal ontleningen was 17 voor 51 lezers.
De leraar krijgt 1200 frank. De gemeente is arm. Ze heeft juist geïnvesteerd in de pastorie en wordt zwaar belast.
De produktie
De rogge, tarwe, gerst, de boekweit en aardappelen zijn de enige granen die gecultiveerd worden
in Grust maar de velden zijn klein en weinig vruchtbaar. De maïs rijpt er nooit daar er in mei nog
sneeuw valt, dikwijls zelfs nog in juni, om te herbeginnen in oktober. De inwoners slaan hun voorraden
in op de markten van Luz en Argelès.
Om de velden te bewerken, wordt de ploeg gebruikt op vlak terrein en de houw en de schop op steil terrein.
Daar de grootste inkomsten van het vee kwamen, ging daar vooral de aandacht naar uit. Het kweken en planten
van gewassen kwam pas op de tweede plaats. Daar de vruchtbare grondlaag heel dun is, kan men alleen
maar goede oogsten van hooi en nagras bekomen, door te bemesten en te begieten. Op dit gebied zijn de
inwoners van Grust en Barèges de besten.
Het water dat door het dorp en zijn omgeving loopt is heel helder en evenzeer heel koud.
Zij komt van de gletsjers van de Hitte en van de Ardiden. De inwoners gaan het water halen
op een afstand van 3 a 4 km en laten haar via kleine kanaaltjes doorheen en over de rotsen, ravijnen
en hoogtes vloeien, dmv tunnels en houten kanaaltjes.
Het water komt in alle schuren binnen, waar zich een voederbak in steen bevindt,
om de beesten te laten drinken. Het stroomt ook tot in een klein schuurtje dat dienst doet
als frigo om de emmers melk te bewaren. De koelte van het water doet de melk vlugger romig worden.
Om zijn gronden te begieten heeft elke inwoner zijn uur en zijn dag gemarkeerd, om het water de grond
goed te laten bevochtigen, zijn 1 man en soms zelfs 2 constant bezig om het water nu eens naar links,
en dan weer naar rechts te laten gaan.
De velden worden bijna altijd bemest in de herfst en daarna in de lente. Het is goed te om weten dat
in Grust, de beesten nooit strooisel hebben, gedurende de winter; de koeien hebben dit niet zo nodig
omdat er achter hun een kanaal gemaakt wordt dat de mest en urine opvangt
en wat elke dag schoongemaakt wordt; maar wat triestiger is, dat zijn de ooien, de paarden,
de muildieren en de ezels : deze dieren staan dagelijks in hun mest die ze constant vertrappelen
vooral tijdens de lange wintermaanden. Evenzo zijn deze dieren op de duur heel erg vuil, en verspreiden
ze een misselijk makende geur. Maar de reden waarom men geen strooisel legt, is heel simpel,
er is er gewoon geen.
Om de velden te bemesten, gebruiken de inwoners nooit de mest van dat jaar, maar van het vorige.
Ze maken gebruik van 2 procedes :
- Voor de mest op de velden te brengen, gebruikt men een draagbare mestmolen met als doel de grote stukken te breken, die tot beneden aan het veld konden rollen, daar de terreinen tamelijk steil waren. De molen bestaat uit een houten kader op 4 poten, ongeveer 1 meter lang op 60cm breedte. De twee zijkanten van de kader waren langs de binnenzijde bezet met ijzeren pinnen van 20cm lengte langs elke kant; in de open plaats, tussen de pinnen, plaatst men een stuk hout, helemaal rond, voorzien van een zwengel, aan een van de uiteinden, om hem te doen draaien en voorzien langs alle kanten van gelijkaardige pinnen; op het instrument wordt nog een andere kader aangebracht, gevormd door 4 planken in dewelke men de mest deponeerde; iemand doet de rol draaien en de mest werd alzo vermaald en verpulverd. Zo wordt hij dan in een lichte laag uitgestrooid over de velden. Het gras begint daarna snel te groeien.
- het andere procede gaat als volgt, de mest wordt vermaald in de schuur. De mest wordt dan stilletjes aan in het waterkanaal gegooid, het water neemt het mee, en op de velden halen andere personen de mest er dan weer uit en gooien hem op het veld.
Op de velden rondom het dorp, wint men elk jaar drie oogsten, een van hooi en twee van nagras.
|